De regio Arnhem-Nijmegen staat voor een enorme opgave: de komende jaren moeten duizenden woningen worden gerealiseerd. Dat vraagt om versnelling in de woningbouw. Maar bouwen alléén is niet genoeg. Tegelijkertijd wil de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen haar duurzaamheidsambities waarmaken. Via het Regio Deal-project Toekomstbestendig Bouwen werken gemeenten, woningcorporaties, financiers, bouwers en projectontwikkelaars samen aan één gezamenlijk antwoord: sneller bouwen, met minder impact op mens en milieu.
De bouwsector is verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de afvalproductie en ruim 40% van het verbruik van primaire grondstoffen.
“De bouwsector is verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de afvalproductie en ruim 40% van het verbruik van primaire grondstoffen. Alleen al bouwmaterialen veroorzaken 12% van de CO2-uitstoot”, somt Ûltsje van Gorkum op. Binnen de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen coördineert hij de inzet op circulaire bouw en infrastructuur. “Als we de komende twintig jaar volop door blijven bouwen en we willen daar later geen spijt van krijgen, dan moeten we het nú anders doen.”
50% circulair in 2030
Om die reden startte in 2023 het programma Conceptueel Circulair Bouwen. De Regio Deal maakt de uitvoering van het programma mogelijk. Het project kreeg de naam ‘toekomstbestendig bouwen’ en richt zich op zowel de
woningbouw (‘Conceptueel Circulair Bouwen’) als de infrasector (‘Circulaire Grond-, Weg- en Waterbouw’). Afgelopen jaar kwam het programmateam op sterkte. Marcel Goossens werd programmamanager van het eerste onderdeel. “We werken langs drie lijnen: het vaststellen van gezamenlijke ambities, de ontwikkeling van het bijbehorende instrumentarium en kennisontwikkeling. Onze ambitie is helder: in 2030 moet minimaal 50% van alle bouwprojecten circulair zijn. In 2050 willen we volledig circulair bouwen.”
Samenwerking als sleutel
De eerste belangrijke stappen zijn inmiddels gezet. “Gemeenten én marktpartijen hebben hun handtekening onder de ambities gezet. Woningcorporaties zien ook de noodzaak”, zegt Goossens. “Alle relevante spelers zitten dus aan tafel”, vult Ûltsje aan. “Geen enkele partij kan dit alleen. Het vraagt van iedereen iets. De marktpartijen dragen bijvoorbeeld niet alleen inhoudelijk bij, ze zijn zelfs bereid financieel bij te dragen aan de hele ontwikkeling naar toekomstbestendig bouwen. Dat is echt uniek.” En toch ook te begrijpen, vervolgt de coördinator: “Ze zien dit als een proeftuin. Wat we hier ontwikkelen, kan breder toepasbaar zijn. In Nederland én daarbuiten. En als er straks Europese regelgeving komt, lopen ze voorop.”
Instrumentarium
De ontwikkeling van het instrumentarium geeft antwoord op de vraag: hoe realiseren we de ambities dan? “Circulair bouwen gaat om hergebruik van materialen. Dat klinkt eenvoudig. Je haalt iets uit elkaar en gebruikt het opnieuw. Maar in de praktijk vraagt dat om compleet nieuwe goederenstromen”, legt Marcel uit. “Daarvoor ontwikkelen we instrumenten, zoals de impactladder. Daarmee maken we inzichtelijk hoe circulair een project is en krijgen ontwikkelaars advies om hun score te verbeteren.” Deze instrumenten helpen volgens Marcel ook om sneller te bouwen. “Door te werken met gestandaardiseerde bouwoplossingen en fabrieksmatige productie kun je sneller bouwen. Dan hebben we het over conceptueel bouwen.” Wat ook weer bijdraagt aan circulariteit. Ûltsje: “Industrieel bouwen kan zo’n 10% minder materiaalgebruik opleveren.”
Harmoniseren om te versnellen
Toch is techniek maar een deel van het verhaal. “Bouwers geven aan dat ze sneller kunnen schakelen als opdrachtgevers op dezelfde manier hun uitvragen doen. Dus als gemeenten en woningcorporaties dezelfde procedures hanteren en bijvoorbeeld dezelfde termen gebruiken. Die wens tot harmonisatie van de regelgeving begrijpt iedereen, maar is best spannend”, erkent Ûltsje. “Gemeenten hebben hun eigen autonomie en de lokale omstandigheden verschillen. Maar als we echt willen versnellen én verduurzamen, moeten we voor meer uniformiteit zorgen.” Ook hieraan werkt het programmateam hard. “Ik heb goede hoop dat we hier de komende tijd een mooie slag in maken”, zegt Ûltsje.
Beweging naar renovatie
Hoewel voor de echt grote resultaten nog tijd nodig is, zien Ûltsje en Marcel al wel tussenstandscores. “Elk bouwproject in de regio is in feite een proeftuin”, noemt Marcel. “We verzamelen veel informatie, leren van projecten en scherpen onze aanpak continu aan.” Ûltsje ziet nog een ontwikkeling: “Zo’n 80% van de milieu-impact zit in renovatie, toch zijn we gestart met nieuwbouw. Puur omdat op de grote bouwprojecten projectontwikkelaars zitten die het belang zien en de mogelijkheden hebben. Het mooie is dat we nu toch ook steeds meer beweging zien richting renovatieprojecten.”
Midden in een omslag
Over de toekomst zijn Ûltsje en Marcel dan ook positief. Ze trekken de vergelijking met de energietransitie: “Tien jaar geleden kenden we 10% duurzame opwekking van energie, nu zitten we op 50%. We vinden het tegenwoordig ook heel normaal om naar duurzame bronnen te kijken. Met de bouw zitten we midden in zo’n omslag.” Ûltsje vult aan: “Onze uitdaging is om snel, veel en goed te bouwen. En om tegelijk steeds duurzamer en circulair te worden, zonder dat het proces vertraagt. Dat vraagt kennisontwikkeling, innovatie én samenwerking.”
“Geen enkele partij kan dit alleen. Het vraagt van iedereen iets. De marktpartijen dragen bijvoorbeeld niet alleen inhoudelijk bij, ze zijn zelfs bereid financieel bij te dragen aan de hele ontwikkeling naar toekomstbestendig bouwen. Dat is echt uniek.” En toch ook te begrijpen, vervolgt de coördinator: “Ze zien dit als een proeftuin. Wat we hier ontwikkelen, kan breder toepasbaar zijn. In Nederland én daarbuiten. En als er straks Europese regelgeving komt, lopen ze voorop.”