Actueel

Impactladder Bouw maakt circulaire ambities in de bouw meetbaar

  • Actueel
  • Impactladder Bouw maakt circulaire ambities in de bouw meetbaar
Datum: 22 oktober 2026

Hoe circulair is een woningbouwproject nu écht? Om dat te meten, heeft de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR) de Impactladder Bouw ontwikkeld. Het instrument brengt het aandeel primaire, gerecyclede, hergebruikte en biobased materialen in kaart en laat tegelijkertijd zien in hoeverre industrieel en conceptueel wordt gebouwd.

Inmiddels zijn er 29 projecten doorgerekend middels de Impactladder. Tijd om eens de balans op te maken met projectleider Erik Opdam. “We hebben laten zien dat het technisch kan én dat je circulariteit bij beslissingen beleidsmatig kunt laten meewegen.”

De ambitie is helder: minder primaire bouwstoffen gebruiken in de woningbouw. Dat vinden ook de zeventien samenwerkende gemeenten binnen de GMR. Zij spraken samen onder meer af het gebruik van primaire grondstoffen in de nieuwbouw terug te dringen. Om daar daadwerkelijk op te kunnen sturen, moet je eerst weten hoeveel van die grondstoffen in een gebouw terechtkomen.

Dat meetbaar en nauwkeurig vaststellen, is nog niet zo eenvoudig. De GMR gebruikt daarvoor de Impactladder Bouw. Daarvoor kijken we eerst naar de basis. “Allereerst gaat het over de materialisatie van een gebouw: uit welk materiaal is het opgetrokken?”, legt Erik Opdam uit. Hij is binnen de GMR projectleider voor het instrumentarium Toekomstbestendig Bouwen, waaronder de Impactladder Bouw. “We rekenen uit wat de verhouding is tussen primaire grondstoffen, gerecyclede of secundaire grondstoffen, hernieuwbare grondstoffen meestal biobased – en het hergebruik van complete bouwelementen.”

Van BIM-model naar accuraat percentage

Voor de definities en rekenmethodiek sluit de Impactladder Bouw naadloos aan bij de landelijke afspraken van Het Nieuwe Normaal (HNN), het nationale referentiekader voor circulair bouwen. Ontwikkelaars of gemeenten kunnen een woningbouwproject vrijwillig laten doorrekenen. Daarvoor wordt ontwerpdata aangeleverd, doorgaans afkomstig uit het BIM-model. Een extern adviesbureau analyseert vervolgens het materiaalgebruik. Het resultaat is uiteindelijk opvallend eenvoudig: één percentage dat aangeeft welk deel van de gebruikte grondstoffen niet-primair is.

Dat maakt verschillende ontwerpen onderling vergelijkbaar en, misschien nog belangrijker, maakt een vrij abstract begrip als circulariteit meetbaar. Volgens Opdam was dat vanaf het begin een belangrijk doel. “In eerste instantie wilden we gewoon laten zien dat je het kunt uitrekenen. Het is bovendien objectief en reproduceerbaar: als je het opnieuw doet, komt er hetzelfde resultaat uit. Daarnaast willen we laten zien dat circulair bouwen mogelijk is en goede voorbeelden stimuleren.”

Inmiddels zijn er meer projecten doorgerekend, waardoor er een beeld van de circulaire prestaties in de regio ontstaat. Sinds de eerste pilotberekeningen in 2022 zijn 29 projecten in zeven gemeenten doorgerekend, uiteenlopend van één woning tot complexen van meer dan tweehonderd woningen. Het naar vloeroppervlak gewogen gemiddelde ligt momenteel op 17 procent niet-primaire grondstoffen.

Grote verschillen tussen projecten

De verschillen tussen projecten zijn echter groot. Sommige woningbouwprojecten komen nauwelijks boven enkele procenten uit, terwijl het best scorende project 44 procent haalt. Een gerenoveerd buurtcentrum, waarbij veel onderdelen van het bestaande gebouw opnieuw werden gebruikt, kwam zelfs op 74 procent.

Daaruit komen volgens Opdam interessante lessen naar voren. Vooral houtbouw en direct hergebruik van bouwelementen leveren hoge scores op. Alleen recyclen blijkt in de praktijk minder snel tot grote percentages te leiden. Bij beton kan bijvoorbeeld een deel van het materiaal door gerecycled granulaat worden vervangen, maar daar zitten grenzen aan.

De beste resultaten ontstaan daarom vaak door verschillende strategieën te combineren. Een van de hoog scorende woningbouwprojecten maakte bijvoorbeeld gebruik van een bestaande fundering, terwijl nieuwe gevel- en vloerdelen in houtskeletbouw werden uitgevoerd. “We hebben laten zien dat het kan”, concludeert Opdam. Dat is relevant, want de regionale ambitie ligt hoger dan het huidige gemiddelde. Vanaf 2025 is binnen de regio de ambitie om 25 procent circulaire materialen toe te passen; richting 2030 is het doel om het gebruik van primaire grondstoffen met 50 procent terug te dringen.

"Het grootste verschil maak je wat ons betreft aan de voorkant." 

NDW21: 17 procent niet-primaire grondstoffen

Een project waarbij industrieel, conceptueel en circulair bouwen samenkomen is NDW21 (Nieuwe Dukenburgseweg 21) in Nijmegen. VDL De Meeuw realiseerde hier bijna 500 flexwoningen voor urgente woningzoekers. Het toegepaste bouwconcept werd met de Impactladder Bouw doorgerekend en kwam uit op 17 procent minder primaire grondstoffen ten opzichte van een volledig primair materiaalgebruik.

Volgens projectleider William Derksen van VDL De Meeuw zit die reductie niet in één ingreep. Prefabricage en modulair ontwerpen maken het mogelijk materialen efficiënter te gebruiken en verspilling te beperken. Daarnaast wordt waar technisch en financieel mogelijk gekozen voor biobased en hernieuwbare materialen. Ook wordt de constructie geoptimaliseerd, zodat materiaal alleen wordt toegepast waar het daadwerkelijk nodig is.

Daar komt nog een ander belangrijk principe bij: demontabiliteit. Componenten zijn zo ontworpen dat ze na een gebruiksperiode opnieuw kunnen worden ingezet. Daarmee wordt niet alleen gekeken naar het materiaalgebruik tijdens de bouw, maar ook naar de waarde die materialen en gebouwdelen daarna behouden. “Het grootste verschil maak je wat ons betreft aan de voorkant”, stelt Derksen. “Als je tijdens het ontwerp al nadenkt over aanpasbaarheid, losmaakbaarheid, materiaalgebruik en toekomstig hergebruik, creëer je veel meer mogelijkheden gedurende de hele levensduur van een gebouw.” Dat is volgens hem ook precies waar een instrument als de Impactladder Bouw meerwaarde heeft. Door ontwerp- en materiaalkeuzes meetbaar te maken, kunnen verschillende oplossingen al vroeg worden vergeleken. Circulariteit wordt zo een concreet onderdeel van het ontwikkelproces in plaats van een ambitie die pas achteraf wordt beoordeeld.

Industrieel bouwen als versneller

Voor VDL De Meeuw gaat de discussie bovendien verder dan alleen grondstoffen. Het bedrijf ziet industrieel bouwen als een belangrijke manier om de Nederlandse bouwopgave überhaupt uitvoerbaar te houden. Productie onder gecontroleerde omstandigheden moet materiaalverlies beperken, maar kan ook bouwtijden verkorten en de hoeveelheid arbeid op de bouwplaats verminderen. Dat laatste wordt steeds relevanter door het tekort aan technisch personeel.

VDL De Meeuw ziet industrieel bouwen daarom als een belangrijke schakel om de Nederlandse bouwopgave sneller en met minder arbeid op locatie te realiseren. Tegelijkertijd vraagt dat om nauwere samenwerking. Architecten, ontwikkelaars, opdrachtgevers, producenten en leveranciers moeten volgens hem veel eerder gezamenlijk bepalen welke prestaties een project moet leveren. Door vroeg afspraken te maken over circulariteit, snelheid, kwaliteit en toekomstig gebruik kunnen ontwerp en productie daarop worden ingericht. Een andere belangrijke rol ligt bij beleid: “De vereenvoudiging en versnelling van vergunningsprocessen is een belangrijke randvoorwaarde om industrieel en circulair bouwen daadwerkelijk op te schalen.”

"Wanneer circulariteit meetbaar wordt, wordt ook duidelijk waar bouwers daadwerkelijk het verschil kunnen maken." 

Circulariteit meewegen bij gebiedsontwikkeling.

Project NDW21 laat goed zien hoe de Impactladder Bouw niet alleen bedoeld is om achteraf een score aan een gebouw te hangen. Juist aan de voorkant van projecten kan het instrument volgens de GMR verschil maken.

Gemeenten kunnen circulariteit bijvoorbeeld laten meewegen bij gronduitgifte of de selectie van een ontwikkelaar. Een harde knock-out eis op basis van de Impactladder Bouw is niet mogelijk, omdat het om bovenwettelijke eisen gaat. Maar een gemeente kan bij de beoordeling van plannen wel meer punten toekennen aan een voorstel dat aantoonbaar beter presteert op circulariteit. Volgens Opdam gebeurt dat binnen de regio steeds vaker. Daarmee verandert circulariteit van een algemene duurzaamheidsambitie in iets waarop opdrachtgevers en marktpartijen elkaar concreet kunnen bevragen. Sinds vorig jaar kijkt de Impactladder Bouw bovendien niet alleen naar materialen. Ook industrieel en conceptueel bouwen wordt geregistreerd. Dat sluit aan bij een andere regionale ambitie: naast 25 procent circulair moet ook 25 procent industrieel worden gebouwd.

Die twee gaan niet automatisch samen. Een industrieel bouwconcept kan immers uit beton bestaan, terwijl een traditioneel gebouwd project veel hout kan bevatten. Toch ziet Opdam in de praktijk steeds meer overlap. Vooral het groeiende aantal

Nog niet uitontwikkeld

Zo is ook de Impactladder Bouw zelf nog volop in ontwikkeling. Hoewel gebruikers positief reageren op de relatief eenvoudige uitkomst, vraagt de invoer nog behoorlijk wat werk. BIM-data moet momenteel worden geëxporteerd en vervolgens handmatig in een Excelbestand worden verwerkt. Ook zijn er andere instrumenten die de verhouding in materiaalgebruik uitrekenen. De GMR laat een dashboard ontwikkelen om deze resultaten mee te nemen, zonder opnieuw te hoeven rekenen.

Voorlopig vervult de Impactladder Bouw vooral een regionale voortrekkersrol. Op termijn verwacht Opdam echter dat verschillende meetmethoden verder naar elkaar toe groeien, mogelijk zelfs richting één landelijk of Europees meetinstrument. “Het kan, het mag en het scoort vrij goed”, vat hij samen. Circulariteit blijkt technisch realiseerbaar, gemeenten kunnen er beleidsmatig op sturen en bouwers kunnen aantonen wat hun ontwerpkeuzes daadwerkelijk opleveren. Want pas als circulariteit meetbaar wordt, wordt ook duidelijk waar bouwers daadwerkelijk het verschil kunnen maken.

Bron: KTGO e-zine, editie oktober 2026. Lees het originele artikel hier: Versnelling in gemeenten | PDF to Flipbook. Overgenomen met toestemming.